Schriftelijke vragen over het onderzoek naar goed bestuur binnen Alliade

Vragen van het lid De Lange (VVD) aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de rapportage ‘Onderzoek naar goed bestuur binnen de Zorggroep Alliade te Heerenveen’ (ingezonden 10 augustus 2016)


1) Hoe kijkt u na de conclusie van de IGZ dat er sprake is van de schijn van belangenverstrengeling[1] naar de rol van de Raad van Bestuur en Raad van Toezicht en hadden zij naar uw oordeel zelfstandig maatregelen moeten treffen? Zou dit wat u betreft nog consequenties moeten hebben voor de samenstelling van de Raad van Bestuur en de Raad van Toezicht? 

2) Op de site van Alliade staat een persbericht met als kop: ‘Onderzoek bij Alliade geeft positief beeld over zorgkwaliteit en organisatie’[2]. Wat is uw mening over de toon en inhoud van het persbericht in relatie tot uw oordeel over de werkwijze van Alliade en de betrokken BV’s?

3) Deelt u de mening dat een meer berouwvoller en bescheidener reactie van de Alliade Zorggroep op zijn plaats was geweest?

4) Worden ook alle andere betrokken BV’s in de vervolgactiviteiten van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), waarin nadrukkelijk verbinding wordt gelegd tussen het toezicht op kwaliteit en de geconstateerde schending van de norm van goed bestuur, meegenomen?

5) Bent u van mening dat de constatering dat vergelijkbare constructies niet voorkwamen bij andere instellingen[3] had moeten leiden tot extra alertheid bij de leden van de Raad van Bestuur en de Raad van Toezicht op de kennelijk binnen de zorg afwijkende constructie? Kunt u in uw reactie uitgebreid toelichten hoe het mogelijk is gebleken dat deze situatie is ontstaan en op welke wijze garanties kunnen worden afgegeven dat dergelijke constructies in de toekomst niet meer voor kunnen komen?

6) Kunt u een nadere toelichting geven waarop uw verwachting is gebaseerd dat een duidelijke norm wordt gezet in de nieuwe versie van de Zorgbrede Governancecode door ook aandacht te besteden aan de onderliggende managementlagen binnen een organisatie?

7) Waarom is er in het onderzoek[4] door de IGZ en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) voor gekozen om alleen te kijken naar ‘het hanteren van niet-marktconforme voorwaarden’ en niet naar het brede financiële effecten die de gekozen BV-structuur heeft opgeleverd?

8) Kunt u alsnog inzicht geven en in een uitgebreide toelichting nader onderbouwen wat de financiële voordelen voor de Alliade Zorggroep, de Freya-groep en de betrokken BV’s zijn geweest door te kiezen voor een dergelijke constructie? 

9) Wat is uw oordeel over de constatering dat bij het beoordelen van de kosten van diensten deze voorheen niet werden vergeleken met de aangevraagde offertes van derden? Hoe is het mogelijk om aan de hand van deze gehanteerde werkwijze de marktconforme prijs te kunnen vaststellen?

10) Hoe is het mogelijk dat in de rapportage de conclusie wordt getrokken dat geen feiten naar voren zijn gekomen die doen vermoeden dat tussen de Freya-groep en de Alliade Zorggroep gesloten contracten niet marktconform zouden zijn? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?

11) Deelt u de mening dat het nagenoeg onmogelijk is om toetsbaar een marktconforme prijs vast te stellen in de onderhavige gekozen constructie? Zo nee, wat is uw oordeel over het feit dat gebruik gemaakt wordt van dergelijke constructies?

12)  Kunt u aangeven waarop de delegatie van het toezicht op het sluiten van contracten met derden door de concerncontroller is gebaseerd nu blijkt dat dit niet gebaseerd is op interne regels van de Alliade Zorggroep? Geeft dit naar uw mening voldoende waarborgen?

13) Kunt u specifiek aangegeven naar welke mogelijk misstanden het Openbaar Ministerie en de Inspectie Sociale Zaken nog apart kijken[5]? Op welke wijze zijn deze mogelijke misstanden aan het licht gekomen? Kunt u in een uitgebreide toelichting het nadere verloop van dit onderzoek schetsen? Kunt u de Kamer informeren, zodra meer informatie over deze onderzoeken beschikbaar is?  

14) Kunt u inzicht geven in de onderzochte transacties rondom Supper&Co en nader onderbouwen waarom deze niet verder worden onderzocht?

15) Deelt u de mening dat een zorgorganisatie niet risicodragend zou moeten investeren in supermarkten, daar dit geen taak is van een zorginstelling? Kunt u uw antwoord toelichten?